Willem Cornelis Royaards (1867–1929)
Biografie van toneelspeler, regisseur en directeur Willem Cornelis Royaards, overgenomen uit het Biografisch Woordenboek van Nederland.
Roijaards, Willem Cornelis (bekend onder de naam Royaards) — toneelspeler, toneeldirecteur, regisseur, vertaler (Amsterdam 21-1-1867 – Menton (Fr.) 24-1-1929).
Zoon van Willem Cornelis Roijaards, chef de bureau, en Henriette Klijnveld. Gehuwd op 14-6-1894 met Josephina Louisa Spoor. Uit deze verbintenis werden geen kinderen geboren; het huwelijk werd ontbonden op 6-10-1903. Hertrouwd met jkvr. Jacoba Philippina Sandberg op 23-12-1903. Royaards had vier zoons.
De twaalfjarige Willem Royaards wordt na de dood van zijn vader van de HBS naar achtereenvolgens drie kostscholen gestuurd, en moet dan een opleiding tot marineofficier volgen. Na vier jaar (1882–1886) verlaat de adelborst ontijdig Nieuwediep om lessen te volgen aan de Amsterdamse toneelschool. In dezelfde tijd (1886–1887) treedt Royaards op bij het gezelschap van Charles de la Mar en enkele malen bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel. Na een jaar zegt hij af te zien van het toneel, studeert dan voor de acte M.O.-Nederlands en werkt intussen voor een uitgeversfirma, maar begint in 1888 toch weer te spelen, nu bij het Hollandsch Tooneelgezelschap van A. van Lier (tot 1889). Hij doet mee als enkele jongeren een voorstelling van Ibsens Nora geven (als Rank, 29-3-1889 en 9-4-1889). Een verbintenis bij de Vereenigde “Variétés” Tooneelisten (dir. M.M. Kreukniet e.a.) brengt hem in contact met moderne en klassieke toneelliteratuur (1889–1890).
Na een seizoen bij Het Nederlandsch Tooneel verhuist de dan drieëntwintigjarige naar Rotterdam. Onder Jan C. de Vos, leider van het Gezelschap van de Tivoli-Schouwburg, vermaard om zijn introvert-natuurlijke stijl, speelt hij fin-de-sièclefiguren in moderne drama’s (o.a. van Marcellus Emants, W.G. van Nouhuys, een bewerking van Couperus’ Noodlot); Balzac’s Mercadet, door hemzelf vertaald, en Hamlet (1891–1894). In deze jaren raakt Royaards bevriend met literatoren uit de kring van De Nieuwe Gids (H.J. Boeken, P. Tideman). Hij trouwt met de actrice Josephine Spoor, komt terug naar Amsterdam bij Het Nederlandsch Tooneel, vervult er enkele klassieke rollen; reist in de zomer van 1897 door Duitsland als Svengali in Trilby (in het Duits). Na een mislukt jaar bij Le Gras en Haspels te Rotterdam is Royaards zo onvoldaan over het weinig artistieke klimaat in Nederland dat hij besluit naar het buitenland te vertrekken. De ontmoeting met Jacqueline Sandberg (in 1897) zal een ommekeer in zijn leven brengen.
Hij gaat eerst voor een jaar naar Engeland waar hij in de musical The belle of New York optreedt. Terug in Nederland is Royaards weer bij Het Nederlandsch Tooneel (1899–1902), maar van 1902 tot 1903 legt hij zich toe op het voordragen van gedichten, dramatische literatuur en een Multatuliprogramma dat veel belangstelling trekt. Een vernieuwing van de dramatische kunst moest uitgaan van de poëzie, schrijft hij in 1899.
In 1903 wordt zijn huwelijk ontbonden en trouwen Royaards en Jacqueline Sandberg. Na nog een seizoen bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (1903–1904) gaat Royaards naar Duitsland; hij volgt er lessen bij A. Strakosch en M. Reinhardt en treedt op in het Deutsches Theater te Berlijn, onder Reinhardts regie (1904–1906). In Nederland teruggekeerd houdt hij zich weer bezig met voordragen. De Larense Zomerspelen (1907: Elkerlyc en Lanceloet) met Eduard Verkade en een voorstelling door Rotterdamse amateurs van Warenar vormen het begin van zijn werk als regisseur. Gesteund door letterkundigen en beeldende kunstenaars die sympathiseren met zijn streven om in één conceptie de dramatische kunst te verbinden met de andere kunsten, sticht Royaards de N.V. Het Tooneel, die haar voorstellingen in het Paleis voor Volksvlijt aanvangt met Vondels nog nooit vertoonde Adam in ballingschap (decor: P.C. de Moor, 1908). Daarna volgt Lucifer in een voor die tijd modern, ruimtelijk decor van R.N. Roland Holst (1910). Voor beide Vondel-voorstellingen componeert Hubert Cuypers de muziek. Tegenover de ouderwets-realistische nieuwjaarsvertoningen van Gijsbrecht van Aemstel door het Nederlandsch Tooneel komt Royaards in de zomer van 1912 met een gestileerde opvoering van Vondels kerstspel, geënsceneerd door Frits en Nell Lensvelt-Bronger. De muziek van Alphons Diepenbrock wordt uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In 1913 volgt, als openluchtvoorstelling in Sonsbeek, Sophocles’ Oedipus in de bewerking van Hugo von Hofmannsthal (vert. Willem Royaards). De dichterlijke vertoningen van blijspelen van Shakespeare — Een Midzomernachtsdroom (1914) en Driekoningenavond (1917), met decors en kostuums van het echtpaar Lensvelt — bewijzen Royaards’ vermogen tot verfijnde vormgeving. Na de opvoering van Goethes Faust (vert.: C.S. Adama van Scheltema; muziek van A. Diepenbrock; enscenering van F. en N. Lensvelt-Bronger, 1918) wordt zijn verdienste officieel erkend: de Koningin schenkt een subsidie, de Rijksuniversiteit te Utrecht verleent Royaards een eredoctoraat (1919). De gemeente Amsterdam neemt in 1920 de Stadsschouwburg in eigen beheer en benoemt tot bespeler de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (waarin Royaards’ gezelschap is opgenomen) onder zijn directie. In de volgende jaren brengt hij enkele monumentale voorstellingen tot stand: Sophocles’ Electra (vert. P.C. Boutens, muziek: A. Diepenbrock, 1920), Droomspel van Strindberg (door Royaards uit het Zweeds vertaald, decors: Svend Gade, 1921), Shakespeares Winteravondsprookje (vert.: W. Royaards; decors: M. de Klerk, 1922), Danton’s Dood van Georg Büchner (vert.: Royaards; enscenering: Oscar Strnad, 1923) en Herman Teirlincks Ik Dien (geënsceneerd door H.Th. Wijdeveld, 1924). Als de gemeente niet op zijn technische en sociale voorwaarden wil ingaan, wordt het contract niet vernieuwd (1924). Hij geeft nog enkele voorstellingen in de Hollandsche Schouwburg (Grand Guignol-drama’s) en doet gastregies bij het Vereenigd Rotterdamsch Hofstad Tooneel, waar hij Pirandello introduceert. De verwachting een eigen theater te kunnen bouwen gaat niet in vervulling. Royaards wordt ziek en sterft in 1929 te Menton.
Willem Royaards beschouwde zichzelf in de eerste plaats als acteur. Hij heeft bijna driehonderd rollen gespeeld, meestal dramatische: zijn geringe gevoel voor humor maakte hem minder geschikt voor komische personages. Royaards was een typische karakterspeler en bracht in elke rol een andere kant van zijn wezen naar voren: Mercadet, die in schone schijn leeft; de onkreukbare Gijsbrecht van Aemstel; Faust, de denker; een beminnelijke aristocraat in Mlle de la Seiglière; getourmenteerde Strindbergfiguren; Danton, gedesillusionneerd levenspoëet. Er bleef een tegenstelling bestaan tussen zijn melancholieke aard en de neiging die te overspelen met romantisch pathos. Zijn zangerige manier van voordragen, met sterke nadruk op klank en ritme, bewees zijn verwantschap met de Tachtigers. Als integere toneeldirecteur in moeilijke financiële omstandigheden toonde Royaards een groot verantwoordelijkheidsgevoel tegenover zijn gezelschap. Met een fijne intuïtie voor hun creatieve mogelijkheden koos Royaards zijn spelers; hij had een voorkeur voor warmbloedige acteurs, die zich onder zijn dominerende maar ook bezielende leiding tot prominenten ontwikkelden en met wie hij een eensgezind ensemble wist op te bouwen. Royaards beschouwde het toneel als een schone schijnwereld waarin door de macht der verbeelding een andere werkelijkheid — achter de banaliteiten van het alledaagse leven — levend gemaakt moest worden.
Op grond van zijn grote belezenheid en literair inzicht koos Royaards werken uit de wereldliteratuur die hem inspireerden door hun taalschoonheden en diepzinnige inhoud. Hij drong er, meestal zelf vertalend, in door, ontwikkelde een visie in de stijl en in de geest van de dichter. Pas na een moeizaam, langdurig proces van overleg met zijn medewerkers nam de voorstelling zoals die hem voor ogen stond gestalte aan; ook aan het kleinste detail werd aandacht besteed.
Royaards was geen gemakkelijk mens: een autocraat, een heersersnatuur, maar achter een hooghartige houding verborg zich zijn overgevoelige aard; hartelijk en trouw in zijn vriendschappen, zoals blijkt uit de duizenden brieven waarin hij zijn hart uitstortte, zijn denkbeelden en idealen ontvouwde. Ondanks de hem verleende onderscheidingen voelde hij zich in de steek gelaten: de geringe daadwerkelijke belangstelling van de overheid heeft hem verbitterd. Maar door zijn hartstochtelijke strijd om erkenning van de rechten der scheppende verbeelding, in een tijd die daarvoor weinig open stond, heeft Willem Royaards de dramatische kunst in Nederland op het niveau gebracht van de andere kunsten.