Familie Royaards
april 2026

Willem Cornelis Roijaards (1867–1929)

Biografie van toneelspeler, regisseur en directeur Willem Cornelis Royaards, gebaseerd op het Biografisch Woordenboek van Nederland en aangevuld uit andere bronnen.

Willem Cornelis Roijaards werd op 21 januari 1867 in Amsterdam geboren en overleed op 24 januari 1929 in Menton, aan de Franse Rivièra. Op het toneel en in de pers heette hij Willem Royaards. Hij was acteur, regisseur, vertaler en toneeldirecteur. Zijn leven lang streefde hij naar toneel dat zich kon meten met literatuur, muziek en beeldende kunst.

Een omweg naar het toneel (1867–1890)

Willem was de zoon van Willem Cornelis Roijaards, chef de bureau, en Henriëtte Klijnveld. Zijn vader hield van literatuur, zijn moeder hield haar leven lang van het toneel. Naar eigen zeggen wist Willem al op zijn twaalfde, toen hij met zijn vader in de schouwburg zat, dat hij toneelspeler wilde worden. In datzelfde jaar overleed zijn vader. Willem werd van de HBS gehaald en naar achtereenvolgens drie kostscholen gestuurd, waarna hij werd opgeleid tot marineofficier. Van 1882 tot 1886 was hij adelborst in Nieuwediep. Hij maakte de opleiding niet af. Volgens zijn eerste biograaf, J.L. Walch, gaf hij op de vraag wat hem er zo tegenstond maar één antwoord: “Alles.”

Hij ging naar de toneelschool in Amsterdam, maar bleef daar niet lang. In 1886–1887 stond hij al op het toneel. Hij debuteerde bij het gezelschap van Charles de la Mar in De zwarte dokter en speelde een enkele keer bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel. In 1887 kreeg hij daar, met hulp van A.C. Wertheim, een engagement, maar dat duurde kort. Volgens Frans Mijnssen, die in 1908 in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift over hem schreef, vond de Raad van Beheer hem niet geschikt. Royaards trok zich terug, reisde met boeken voor de uitgeverij Elsevier en studeerde intussen voor de akte M.O.-Nederlands.

In 1888 pakte hij het spelen weer op, bij het Hollandsch Tooneelgezelschap van A. van Lier, waar hij tot 1889 naast de acteur Veltman speelde. In 1889 deed hij mee aan een voorstelling die een groep jonge spelers gaf van Ibsens Nora; hij speelde dokter Rank. Bij de Vereenigde “Variétés” Tooneelisten (1889–1890) maakte hij kennis met modern en klassiek repertoire. Tot zijn medespelers daar hoorden Aleida Roelofsen en Josephine Spoor, met wie hij later zou trouwen.

Rotterdam, Berlijn en Londen (1890–1899)

Na nog een seizoen bij Het Nederlandsch Tooneel vertrok de drieëntwintigjarige Royaards naar Rotterdam. In 1891 trad hij als jonge eerste acteur in dienst van het gezelschap van de Tivoli-schouwburg aan de Coolsingel, dat werd geleid door Frits Bouwmeester en Jan C. de Vos. De Vos stond bekend om zijn ingetogen, natuurlijke speelstijl. Royaards speelde er figuren uit het moderne drama van het fin de siècle, onder meer van Marcellus Emants, W.G. van Nouhuys en een bewerking van Couperus’ Noodlot, maar ook Balzacs Mercadet in zijn eigen vertaling en Hamlet. Zijn Petruccio in De getemde feeks gold bij tijdgenoten als een van zijn beste rollen. In deze jaren raakte hij bevriend met schrijvers uit de kring van De Nieuwe Gids, onder wie H.J. Boeken en P. Tideman.

In 1894 trouwde hij met Josephine Spoor. Het Tivoli-gezelschap viel omstreeks 1895 uiteen, toen een van de firmanten, W. van Korlaar, directeur werd bij Het Nederlandsch Tooneel. Ook Royaards keerde daarheen terug. Toen dat gezelschap het stuk Trilby op het repertoire nam, kreeg hij de rol van Svengali. Volgens Mijnssen had hij de rol zelf vertaald, nadat hij de voorstelling van Beerbohm Tree in Londen had gezien. De Berlijnse theaterdirecteur Lautenburg zat in 1897 plotseling zonder Svengali, omdat zijn acteur Friedrich Mitterwurzer was overleden. Op aanraden van de impresario J.J. Schürmann haalde hij Royaards. Die leerde de rol in het Duits, speelde hem in Berlijn en trok daarna een half jaar met het stuk op tournee, tot in Sint-Petersburg.

Terug in Nederland speelde hij de rest van een seizoen in de Groote Schouwburg in Rotterdam, bij het gezelschap van Le Gras en Haspels, waar Jan C. de Vos inmiddels regisseur was. Hij speelde er onder meer Franz Moor in Schillers De roovers. Die periode stelde hem teleur. Royaards was zo ontevreden over het weinig artistieke klimaat in Nederland dat hij besloot naar het buitenland te gaan. In 1897 had hij Jacqueline Sandberg leren kennen, een ontmoeting die zijn leven een andere richting zou geven. Eerst ging hij echter naar Londen, om het Engelse toneel te leren kennen. Hij trad er op in de musical The Belle of New York, als Carl von Pumpernick.

Portret van Willem Royaards omstreeks 1899
Willem Royaards omstreeks 1899. Uit: Onze Tooneelspelers (1899).

Uit een relatie met Georgiana Louisa Eveline (Eva) Whiteley werd op 14 september 1899 in Worthing een zoon geboren, die net als zijn vader Willem Cornelis heette. Over Eva Whiteley en deze geschiedenis gaat het verhaal Een buitenechtelijk kind in de coulissen van Londen.

Brutus, voordrachten en Berlijn (1899–1907)

Terug in Nederland trok hij in het seizoen 1898–1899 met een opvallend soloprogramma door het land: in rok en witte das droeg hij Shakespeares Julius Caesar in zijn eentje voor en vertolkte alle rollen zelf. De recensent J.N. van Hall had bedenkingen bij het genre, maar noemde het resultaat in De Gids “in hooge mate interessant” en “in elk opzicht eerbiedwekkend”. In 1899 schreef Royaards dat een vernieuwing van de toneelkunst moest uitgaan van de poëzie. Van 1899 tot 1902 speelde hij opnieuw bij Het Nederlandsch Tooneel, onder meer Brutus in Julius Caesar en nogmaals Petruccio.

In januari 1905 nam Royaards een deel van die voordracht op voor de plaat, bij het label G&T (later His Master’s Voice) in Den Haag:

Willem Royaards als Brutus in Shakespeares Julius Caesar (toespraak van Brutus, derde bedrijf, tweede toneel). Geluidsopname uit januari 1905, opgenomen door G&T (later His Master's Voice) in Den Haag. Vertaling L.A.J. Burgersdijk. Bron: Allard Pierson / Theatercollectie UvA.

Van 1902 tot 1903 legde hij zich helemaal toe op het voordragen: gedichten, dramatische teksten en een Multatuliprogramma dat veel publiek trok. Met dat programma vertrok hij in 1902 naar Nederlands-Indië. Half juni kwam hij aan in Batavia; daarna reisde hij maandenlang met zijn voordrachten over Java en Sumatra. Eind februari 1903 was hij terug in Europa.

In oktober 1903 werd zijn huwelijk met Josephine Spoor ontbonden; het was kinderloos gebleven. Op 23 december 1903 trouwde hij met jonkvrouw Jacoba Philippina (Jacqueline) Sandberg. Behalve de Engelse zoon uit 1899 had Royaards drie zoons met Jacqueline: Johan Jacob (Hans, 1902), Benjamin Lucien (Ben, 1904) en Cornelis Willem (Kees, 1906).

Willem Royaards met zijn jonge gezin, begin twintigste eeuw
Willem Royaards met zijn jonge gezin, begin twintigste eeuw

Na een laatste seizoen bij Het Nederlandsch Tooneel (1903–1904) vertrok hij naar Duitsland. Hij nam les bij A. Strakosch en M. Reinhardt en speelde van 1904 tot 1906 onder Reinhardts regie in het Deutsches Theater in Berlijn. Op enkele middagvoorstellingen verving hij daar Rudolph Schildkraut als Shylock in De koopman van Venetië. Terug in Nederland ging hij opnieuw voordragen.

Regisseur en directeur van Het Tooneel (1907–1920)

Zijn werk als regisseur begon in 1907, met de Larense Zomerspelen. Samen met Eduard Verkade bracht hij er Elckerlyc en Lanceloet; zelf speelde hij Elckerlyc. Daarna gingen de twee ieder hun eigen weg. Met Rotterdamse amateurs bracht Royaards Warenar, waarin hij zelf de gierige titelrol speelde. Volgens de criticus Edmond Visser was die voorstelling de directe aanleiding tot de oprichting van een eigen gezelschap, met geld van Rotterdamse begunstigers. Royaards wilde de toneelkunst in één samenhangend ontwerp verbinden met de andere kunsten. Daarvoor vond hij ook steun bij schrijvers en beeldend kunstenaars. In 1908 werd de N.V. Het Tooneel opgericht, met Royaards en Willem Stumpff jr. als directeuren. Al snel leidde Royaards het gezelschap alleen. Het begon in het Paleis voor Volksvlijt met Vondels Adam in ballingschap, dat nooit eerder was opgevoerd, in een decor van P.C. de Moor. Kort daarna schreef hij in een brief: “De op doen beluste mensch, die in mij steekt, krijgt nu wel volop zijn genoegen.”

Specimen-aandeel van de N.V. Het Tooneel, opgericht in 1908 door Willem Royaards
Specimen-aandeel van de N.V. "Het Tooneel", opgericht bij akte van 17 juli 1908. Maatschappelijk kapitaal f 200.000, verdeeld in 1780 aandelen van f 100 en 440 onder-aandelen van f 50.

In 1910 volgde Vondels Lucifer, in een voor die tijd modern, ruimtelijk decor van R.N. Roland Holst. De muziek bij beide Vondel-voorstellingen schreef Hubert Cuypers. Het succes van Lucifer inspireerde J.H. Speenhoff tot een liedje:

'Als Vondel had geweten' van J.H. Speenhoff.
Speenhoff schreef dit lied naar aanleiding van de succesvolle Lucifer-opvoering onder regie van Willem Royaards.
Tekst van het liedje
O als Vondel had geweten, dat we hem nog niet vergeten,
als-ie in de krant kon lezen hoe zijn werk weer wordt geprezen
en hij zag dan welke zaken of wij met zijn stukken maken
en van al die volle zalen de procenten komen halen,
kwam ie 's avonds op de planken om er Royaards te bedanken.

Want het is zo deftig, het is zo fijn
bij Lucifer geweest te zijn.

Ook Vondels Gijsbrecht van Aemstel pakte Royaards anders aan. Het Nederlandsch Tooneel speelde het stuk elk jaar rond nieuwjaar op ouderwets-realistische wijze; Royaards bracht het in de zomer van 1912 juist gestileerd, in een enscenering van Frits en Nell Lensvelt-Bronger, met muziek van Alphons Diepenbrock, gespeeld door het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In 1913 volgde in de openlucht in Sonsbeek Sophocles’ Oedipus, in de bewerking van Hugo von Hofmannsthal en in Royaards’ eigen vertaling. Met twee blijspelen van Shakespeare, Een midzomernachtsdroom (1914) en Driekoningenavond (1917), beide met decors en kostuums van het echtpaar Lensvelt, liet hij zien hoe verfijnd hij een voorstelling kon vormgeven.

Na Goethes Faust in 1918 (vertaling C.S. Adama van Scheltema, muziek Diepenbrock, enscenering Lensvelt) kwam de officiële erkenning: de Koningin schonk een subsidie. In 1919 kreeg Royaards een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Utrecht.

Tegelijk verloor hij zijn vaste speelplek. Tien seizoenen lang, van 1908 tot 1918, had Het Tooneel in het Paleis voor Volksvlijt gespeeld. In 1918 huurde Louis Bouwmeester jr. het Paleis. Royaards’ gezelschap stond op straat. Een jaar lang reisde het rond, met een klein repetitielokaal en kantoor in de Pieter Pauwstraat in Amsterdam.

In de Stadsschouwburg (1920–1924)

In 1920 nam de gemeente Amsterdam de Stadsschouwburg in eigen beheer. Na een politieke strijd in de gemeenteraad, waarin ook Herman Heijermans en het duo Musch en Van der Horst meedongen, wees zij als vaste bespeler de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel aan, waarin het gezelschap van Royaards was opgegaan, met Royaards als directeur.

In de jaren daarna maakte hij een reeks grote voorstellingen: Sophocles’ Electra (1920, vertaling P.C. Boutens, muziek Diepenbrock), Strindbergs Droomspel (1921, decors Svend Gade), Shakespeares Winteravondsprookje (1922, eigen vertaling, decors M. de Klerk), Büchners Dantons dood (1923, eigen vertaling, enscenering Oscar Strnad) en Herman Teirlincks Ik dien (1924, enscenering H.Th. Wijdeveld). Voor Droomspel had hij Zweeds geleerd, zodat hij het stuk zelf uit het origineel kon vertalen. Strindberg was voor hem “het grootste tooneelgenie der laatste 100 jaren”. Rond die tijd verliet het echtpaar Lensvelt, dat jarenlang zijn decors en kostuums had ontworpen, het gezelschap. Dat ontmoedigde hem zeer.

In de zomer van 1923 reisde hij voor het eerst naar Amerika. In New York onderhandelde hij met de producent Charles Dillingham over de Nederlandse rechten van Frederick Lonsdales komedie Aren’t We All?. Dat lukte: in het najaar van 1923 bracht hij het stuk in Nederland als Zijn wij dat dan niet allemaal?, met zichzelf in de rol van een oude, aristocratische levensgenieter.

Al in het tweede seizoen klaagde Royaards over tegenwerking van de gemeente. In 1924 liep het contract af. Omdat de gemeente niet wilde ingaan op Royaards’ technische en sociale voorwaarden, werd het niet verlengd.

De laatste jaren (1924–1929)

De Hollandsche Schouwburg te Amsterdam met het bord van N.V. Het Tooneel onder directie van Willem Royaards
De Hollandsche Schouwburg te Amsterdam, N.V. Het Tooneel onder directie van Willem Royaards

Royaards speelde daarna nog enkele Grand Guignol-drama’s in de Hollandsche Schouwburg en regisseerde als gast bij het Vereenigd Rotterdamsch Hofstad Tooneel, waar hij het werk van Pirandello in Nederland introduceerde. Met Herman Heijermans, jarenlang zijn concurrent, verzoende hij zich tijdens diens laatste ziekte; na Heijermans’ dood in 1924 bracht hij een reprise van diens Schakels. Een eigen schouwburg leek in 1924 binnen bereik te komen. Georgine Mirandolle, een jeugdvriendin van Jacqueline, richtte met haar broer Ludovicus de N.V. Dr. Willem Royaards Schouwburg op, met een kapitaal van een miljoen gulden. Royaards werd directeur. Achter het Concertgebouw zou een nieuw theater verrijzen, ontworpen door D.F. Slothouwer en de Weense architect Oskar Strnad. Het is er nooit gekomen. Om in zijn onderhoud te voorzien trad hij, inmiddels doctor honoris causa, met zijn Multatuliprogramma zelfs op in bioscopen.

In het voorjaar van 1927 werd hij ernstig ziek. Kort voor een voordrachtavond voor de koninklijke familie werd hij in het paleis onwel; prinses Juliana nam zijn plaats in en droeg zelf gedichten voor. Een verblijf aan de Middellandse Zee bracht geen herstel; na enkele weken in een kliniek in Nice keerde hij in etappes naar Nederland terug. De jaren 1927–1929 bracht hij grotendeels door in de Ziekenverpleging aan de Prinsengracht in Amsterdam. Hij bleef lezen en schrijven, onder meer een beschouwing over Ibsen voor het Algemeen Handelsblad (20 maart 1928). Ook bleef hij werken aan de plannen voor zijn schouwburg, in de hoop dat die na zijn dood alsnog zou verrijzen. Op eerste Kerstdag 1928 vertrok hij op doktersadvies nog eenmaal naar Zuid-Frankrijk. Vier weken later, op 24 januari 1929, overleed hij in Menton-Garavan, net tweeënzestig jaar oud.

Bij de uitvaart in de Stadsschouwburg klonk, zoals hij had gewild, Mahlers Das Lied von der Erde. Hij werd begraven op Westerveld. Naar zijn uitdrukkelijke wens werd er bij het graf niet gesproken. In 1930 werd de N.V. Dr. Willem Royaards Schouwburg opgeheven.

Begrafenis van Dr. Willem Royaards. Polygoon Hollands Nieuws, 1929. Bron: Beeld en Geluid.

De acteur

Royaards zag zichzelf in de eerste plaats als acteur; zo noemde hij zichzelf ook toen hij in Utrecht zijn eredoctoraat ontving. Hij speelde bijna driehonderd rollen, de meeste dramatisch; voor komische rollen had hij te weinig gevoel voor humor. Hij was een uitgesproken karakterspeler, die in elke rol een andere kant van zichzelf liet zien: Mercadet, die leeft van de schone schijn, de onkreukbare Gijsbrecht, Faust als denker, een innemende aristocraat in Mademoiselle de la Seiglière, gekwelde Strindbergfiguren en Danton, de ontgoochelde levensdichter. Zijn melancholieke aard botste soms met zijn neiging tot romantisch pathos. Zijn zangerige voordracht, met veel aandacht voor klank en ritme, verraadde zijn verwantschap met de Tachtigers.

De regisseur en de mens

Royaards was zeer belezen en koos werken uit de wereldliteratuur om de schoonheid van hun taal en de diepte van hun inhoud. Meestal vertaalde hij ze zelf. Zo ontwikkelde hij een beeld van hoe het stuk gespeeld moest worden, trouw aan stijl en geest van de dichter. Hij had een ijzersterk geheugen en las een nieuw stuk eerst zelf in zijn geheel voor aan zijn spelers. Pas na lang en moeizaam overleg met zijn medewerkers kreeg een voorstelling de vorm die hij voor ogen had, tot in het kleinste detail.

Zijn spelers koos hij met een goed gevoel voor wat zij in zich hadden. Hij hield van warmbloedige acteurs. Onder zijn dominante maar ook inspirerende leiding groeiden velen van hen uit tot vooraanstaande spelers. Zo bouwde hij een hecht ensemble op. Louis Saalborn zag hij als degene die zijn taak ooit zou overnemen. Als directeur droeg hij in financieel moeilijke tijden een sterk gevoel van verantwoordelijkheid voor zijn gezelschap. Het toneel was voor hem een wereld van schone schijn, waarin de verbeelding een andere werkelijkheid tot leven moest brengen dan de banaliteit van alledag.

Willem Royaards aan zijn bureau, vermoedelijk omstreeks 1920
Willem Royaards aan zijn bureau, vermoedelijk omstreeks 1920

Makkelijk in de omgang was hij niet. Hij was een autocraat met een heerszuchtige natuur, maar achter zijn hooghartige houding ging een overgevoelig karakter schuil. Voor zijn vrienden was hij hartelijk en trouw. Dat blijkt uit de duizenden brieven die hij schreef, waarin hij zijn hart luchtte en zijn ideeën en idealen uiteenzette. Ondanks de onderscheidingen die hij kreeg, voelde hij zich in de steek gelaten: dat de overheid in de praktijk zo weinig voor het toneel deed, maakte hem bitter.

Toch bracht Willem Royaards, met zijn hartstochtelijke strijd voor de rechten van de verbeelding in een tijd die daar weinig ontvankelijk voor was, de Nederlandse toneelkunst op het niveau van de andere kunsten.

Bronzen buste van Willem Royaards in de Stadsschouwburg Amsterdam
Bronzen buste van Willem Royaards in de Stadsschouwburg Amsterdam

Zie ook: Jacqueline Royaards-Sandberg, Juffrouw Mirandolle en Een leerling van Royaards: Sara Heyblom (1892–1990).


Bronnen: Biografisch Woordenboek van Nederland, lemma ‘Roijaards, Willem Cornelis’; Frans Mijnssen, ‘Echte tooneelspeelkunst Willem Roijaards’, in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 18 (1908), p. 289–301; J.N. van Hall in De Gids (1899) en ‘Dramatisch overzicht’, De Gids 72 (1908); Edmond Visser, Dr. Willem Royaards (Onze Tooneelkunstenaars; Amsterdam, [1922]); Top Naeff, Willem Royaards. De tooneelkunstenaar in zijn tijd (’s-Gravenhage, 1947); Indische kranten 1902–1903 (o.a. Soerabaijasch Handelsblad, 19 juni 1902 en 8 april 1903; De Sumatra Post, 23 december 1902), via Delpher; Daily News (New York), 13 juli 1923; Haarlem’s Dagblad, 24 november 1923; South Bend News-Times, 12 mei 1927; Annie Biezen, ‘Een “freule” op de Hees’, De Rosdoek 161 (2017); geluidsopname: Allard Pierson / Theatercollectie UvA. Volledige rollenoverzichten staan in het BWN-lemma, bij Mijnssen en bij Naeff.