Twee zusters en een stichting
Sara Maria en Sophia Henriëtte Royaards richtten bij testament de Dames Royaards Stichting op, die sinds 1946 vanuit landgoed Tannenberg te Bosch en Duin vrouwen en kinderen in nood ondersteunt.
Wie de familienaam Royaards draagt, draagt ook een geschiedenis mee die diep geworteld is in Utrecht. Generaties lang woonden Royaardsen en aanverwante families in de stad aan de Oude Rijn. De grootouders van de twee dames om wie dit verhaal gaat, bewoonden het huis aan de Nieuwe Gracht 6. Hun vader, mr. Willem Jan Roijaards heer van den Ham (1829-1897), groeide op in datzelfde Utrechtse milieu, studeerde rechten en stond na zijn afstuderen in 1855 de advocatuur voor hem open. De praktijk trok hem echter minder dan zijn nevenfuncties. Hij werd lid van de gemeenteraad, wethouder van Utrecht, hoogheemraad, dijkgraaf van den Lekdijk Bovendams, lid van de Provinciale Staten en vervolgens van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zijn intellectuele belangstelling strekte zich ook uit tot de beeldende kunst: de grote schilderijenverzameling die hij bijeenbracht werd na zijn dood bij Frederik Muller te Amsterdam geveild.
Willem Jan trouwde in 1856 met Jacoba Margaretha Baronesse Taets van Amerongen (1829-1910). Uit dit huwelijk kwamen acht kinderen voort, van wie er zes in leven bleven. Het gezin woonde in het statige, vijf traveeën brede pand aan de Plompetorengracht nummer 9 te Utrecht. Sara Maria Royaards werd geboren op 12 maart 1865 als vierde kind; Sophia Henriëtte Johanna op 18 september 1868 als zesde. Beiden bleven ongehuwd en kinderloos.
De band van de dames met de schilderkunst liep via twee lijnen. Vader Willem Jan had op veilingen werken van de Frans-Nederlandse romantische schilder Ary Scheffer (1795-1858) aangekocht, onder meer de Christus Consolator en de Christus Remunerator. Sara Maria en Sophia Henriëtte kochten deze stukken na zijn dood zelf aan. De link met Scheffer was ook persoonlijk van aard: een portret van hun grootmoeder van moederszijde, J.M. Baronesse Taets van Amerongen, was in 1856 in Parijs geschilderd door Hendrik Scheffer, een broer van Ary. Na het overlijden van Sophia Henriëtte gingen de twee schilderijen van Ary Scheffer, samen met een aanzienlijke collectie meubelen, zilver en porselein, als legaat naar de gemeente Utrecht en vandaar naar het Centraal Museum.
Na de dood van hun vader in 1897 bleven Sara Maria en Sophia Henriëtte aanvankelijk bij hun moeder in Utrecht wonen. Dat duurde tot 1903, het jaar waarin zij financieel in staat waren zelf grond aan te kopen. De nalatenschap van Willem Jan bestond voornamelijk uit onroerend goed en aandelen; elk kind erfde een waarde van ruim 173.000 gulden in volle eigendom. De twee zusters kochten een stuk grond van de exploitatiemaatschappij Bosch en Duin in de gemeente Zeist. Hierop lieten zij in 1902 al een koetshuis bouwen, bestaande uit een stal met annex koetshuis en twee personeelswoningen. Architect Tjabring uit Utrecht liet zich bij dit gebouw, dat opvalt door twee grote dakkapellen met overhuifde balkons, inspireren door de vakwerkbouw. In 1905 volgde de villa zelf. De muren zijn vrijwel geheel wit gepleisterd; donkerbruine houten constructies vormen de decoratieve elementen, waaronder het smeedijzeren hekwerk van de balkonbalustrade. In 1908 werd ten slotte het rentmeestershuis opgetrokken. Het geheel, dat aan de Duinweg ligt en ver in het bos verscholen staat, beslaat circa 22 hectare.
De keuze voor deze plek was weloverwogen. De buitenplaats ligt langs de oude spoorlijn van Zeist naar Bilthoven, dicht bij het vroegere station Bosch en Duin, maar ver van de openbare weg. Het parkbos diende ook aan het begin van de vorige eeuw al om het verblijf van de twee zusters voor nieuwsgierige blikken te vrijwaren. Ondanks hun welstand leidden Sara Maria en Sophia Henriëtte een sober en teruggetrokken bestaan. Contacten met familieleden waren zeldzaam; alleen de schoonzuster die met broer Karel Johan Hendrik was getrouwd, bracht af en toe een bezoek. Zoals voor vermogende ongetrouwde dames van stand in die jaren gebruikelijk was, bestonden de sociale contacten voornamelijk uit de noodzakelijke relatie met het personeel, de dokter en de dominee. Op het landgoed waren verscheidene broeikassen neergezet die voor een belangrijk deel in de eigen levensbehoeften voorzagen. Vóór 1930, toen beide zusters nog leefden, bezaten zij ook een koetsje en enkele paarden, die zij zo dierbaar waren dat zij in hun testament lieten vastleggen dat de dieren na hun dood afgeschoten en op het Tannenberg-terrein begraven moesten worden.
Sara Maria overleed op 6 september 1930 op het landgoed, op 65-jarige leeftijd. Sophia Henriëtte was zestien jaar langer. Haar gezondheid liet hoe langer hoe meer te wensen over: een extreme corpulentie en waarschijnlijk ook reumatische aandoeningen maakten haar hoe langer hoe immobieler. De tuinman van de Tannenberg, die van 1945 tot 1946 op het landgoed werkte, herinnerde zich dat Sophia zich in die periode nog slechts met behulp van stokken kon voortbewegen. De ongebaande paden vol boomwortels en stenen waren voor haar nauwelijks te begaan. Na de dood van Sara Maria liet Sophia dienstbodes om de beurt een week in de villa slapen, zodat zij ‘s nachts niet alleen in het afgelegen huis was.
De juridische grondslag voor wat na haar dood zou volgen, had Sophia Henriëtte al jaren eerder gelegd. Op 19 november 1934 ondertekende zij een geheim testament. Daarin bepaalde zij dat haar gehele vermogen, op enkele legaten na, aan een stichting zou vervallen. Een college van drie regenten zou de stichting besturen en tevens een directeur benoemen. De in het testament genoemde regenten waren de heer H. Tjabring uit Huis ter Heide, notaris F.A. Minkema te Woerden en kandidaat-notaris Th.J. van Nes, eveneens te Woerden. In het testament werd ook de in 1930 overleden Sara Maria bij de stichtingsnaam betrokken: de stichting zou de naam Dames Royaards Stichting dragen, om zo beide zusters te blijven herdenken.
Op 6 mei 1946 overleed Sophia Henriëtte Royaards op 77-jarige leeftijd op het landgoed Tannenberg. Geheel volgens haar wens trad de stichting diezelfde dag in werking. De heer Tjabring was inmiddels overleden; hij werd vervangen door de heer Ch.H. van Aken, leraar te Utrecht. De regenten stonden voor de niet eenvoudige taak om van Tannenberg een herstellingsoord te maken in een tijd zonder centrale verwarming, zonder ledikanten, matrassen of textiel. Het Rode Kruis sprong bij met de benodigde spullen.
Het oorspronkelijke doel van de stichting was het verplegen en verzorgen van vrouwen die na een ziekenhuisverblijf ontslagen waren maar wier herstel nog niet volledig was. Bij voorkeur kwamen vrouwen uit de middenstand en de arbeidersstand in aanmerking, voor een verblijf van ten hoogste een half jaar. Mannen, lijders aan besmettelijke ziekten en blijvend onrustige zenuwpatiënten werden uitdrukkelijk uitgesloten.
De Tannenberg heeft geruime tijd als herstellingsoord dienst gedaan. Na verloop van tijd bleken de oorspronkelijke idealen financieel niet langer haalbaar. Op 6 juli 1965 werd de akte voor statutenwijziging ondertekend. Het doel werd omschreven als het verlenen van financiële steun aan vrouwen en rechtspersonen die niet van het mannelijk geslacht zijn boven zestien jaar. Het landgoed zelf werd voor het symbolische bedrag van één gulden per jaar aan de gemeente Zeist in erfpacht gegeven, die voor het onderhoud zorg droeg en het park voor publiek openstelde.
De stichting bestaat nog altijd, met het kantoor aan de Oostdam te Woerden. Het Oortjeshek, een historische tolplaats te Kamerik die Sophia bij de boedelscheiding in 1898 had geërfd, behoort er nog steeds toe. Het landgoed Tannenberg wordt al decennia lang gebruikt voor de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Wat begon als de persoonlijke wens van twee teruggetrokken dames van stand om na hun dood iets goeds te doen met een groot vermogen, heeft inmiddels tachtig jaar lang vrouwen en kinderen in nood geholpen.
Bron: Gerda Zeegers en Roel Hoekstra, ‘40 jaar Dames Royaards Stichting: van elitaire tot sociale emancipatie’, uitgegeven door de Dames Royaards Stichting, Zeist 1986.