Hans Royaards (1902–1975)
Schilder, verteller, vriend: een portret van Johan Jacob Royaards en het bundeltje Uit de Verf, samengesteld door zijn vrienden ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag.
Johan Jacob Royaards, 4 september 1902 – 23 december 1975
Er zijn mensen die je herkent aan hun handschrift. Hans Royaards was zo iemand. Zijn lijn, of het nu een penseelstreek was, een vluchtige schets of een kalligrafische letter, droeg zijn naam vóór hij hem zette. Bedeesdheid en zekerheid tegelijk. Aarzeling en dan plotseling raak.
Hij werd geboren op 4 september 1902 in Westham, Sussex, ver van Amsterdam, in het Engeland van zijn toneelspelende ouders. Zijn vader was Willem Royaards, de grote toneelhervormer die zijn reputatie nog moest verdienen. Zijn moeder was Jacqueline Sandberg, actrice, voordrachtskunstenares, later een levende legende. Zij trouwden in 1903 in Parijs. Hans was er al.
Als jongen werd hij uitbesteed: eerst in Engeland, later in Eersel bij een bevriende doktersfamilie. Hij schikte zich daarin, schrijft een van zijn vriendinnen, “alsof hij zich bewust was van de noodzaak ervan.” Gelukkig was hij pas toen hij voorgoed thuis kon zijn in Amsterdam, aan de Frans van Mierisstraat, waar zijn ouders inmiddels woonden.
Op school bewoog hij moeizaam vooruit. Zijn vader begreep het snel: geen middelbare school. Wél de electrotechnische school, wél een boarding school in Engeland, wél de moderne talen, en die had hij zonder enige moeite. Frans, Engels, later Italiaans, Spaans en Russisch. De jongen die niet meekon in de klas, bleek thuis in de wereld.
Als negentienjarige werkte hij op architectenbureaus als tekenaar. Bij het ene liet men hem tot vervelens toe letters tekenen; bij het andere moest hij over daken en spanten inspecteren, wat weinig gelukkig was voor iemand met hoogtevrees. Maar een van zijn bazen, architect De Klerk, zag wat er sluimerde. Hij ontdekte zijn talenten en moedigde hem aan te schetsen in kantoortijd. Het resultaat: een avondcursus aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam.
Professor Der Kinderen ontdekte er al snel een bijzondere begaafdheid. Hans begon een volledige opleiding en bezocht de Academie met zoveel trouw dat de nieuwe directeur Roland Holst hem, jaren later, “met zachte doch vaste hand min of meer moest verwijderen.” Als onderscheiding ontving hij de Koninklijke Subsidie. In Parijs bezocht hij de Académie de la Grande Chaumière, waar hij Ruud de Bruyn Ouboter ontmoette, een van zijn grootste vrienden.
Uit de jaren 1920–1930 dateren zijn vroegste grote portretten: het langwerpige portret van zijn moeder staande in de huiskamer, het portret van Willem Royaards op zijn ziekbed, donker van toon, ingehouden, melancolisch. Het befaamde kinderportret van Frits Andriessen. Wie dat portret kent begrijpt waarom Mari Andriessen het veertig jaar later niet kon missen: “In dit portret is alles.”
Na de dood van zijn vader in 1929 volgden moeilijke jaren. Opdrachten waren schaars. Hans probeerde het toneel, bij het gezelschap van Verkade, maar de schilderkunst trok sterker. In de crisistijd brachten vrienden in Engeland hem enkele opdrachten. De portretten uit die jaren zijn lichter van toon: het zijn kinderen die hij schilderde.
In Baambrugge, aan de Angstel, vond hij een periode van vruchtbare rust. Boerderijleven, weides, bloeiende appelbomen, kippen en koeien, maar ook de binnenstadcafés van Amsterdam, de Franse kroegjes die hij kende van zijn reizen. Zijn neef Jules herinnert zich de rommelzolder met de complete Jules Verne in blauwe kaften, de hengel die via een eend verdween en op wonderbaarlijke wijze terugkwam, en een oom die bij zulke gelegenheden “los van deze aarde” ging.
In 1937 trouwde hij in Londen met Henriëtte Carola Johanna ter Beek. Het huwelijk liep stuk; de scheiding volgde in 1952 in Amsterdam.
Zijn rijpste werk is veelzijdig: portretten, aquarellen, landschappen, etsen, boekillustraties. In 1956 ontving hij de Arti-medaille voor het majestueuze portret van zijn moeder Jacqueline Royaards-Sandberg. Het Rijk kocht het; het hangt sindsdien in de Schouwburg te Arnhem. In 1965 volgde de Lucasmedaille voor het portret van een vriendin in kleurig jasschort.
In 1959 kreeg hij een opdracht die hem naar onbekend terrein bracht: gebrandschilderde ramen voor het gerestaureerde dorpskerkje van Midden-Beemster, uit 1623. Tot dat jaar had hij het brandschilderen nooit beoefend. Het scheppingsverhaal in lichtgestemde kleuren, opwaarts en doorschijnend, spreekt van “plezier in het werk en welbehagen in het leven.”
Tijdens een langdurige ziekte vertaalde hij fragmenten uit Chaucer’s Canterbury Tales, met inachtneming van de oorspronkelijke wisselrijmen en versvoeten. Hij voorzag de vertaling van aquarellen. Het resultaat was, zoals het boekje van zijn vrienden het omschreef, “een voor bibliofielen merkwaardig, waardevol en kunstzinnig boekwerk.”
Hij was jarenlang secretaris van Arti et Amicitiae. Wie hem daar aan het werk zag, “door de spleetjes van zijn oogleden loerend en uitschietend om een rake penseelstreek te plaatsen”, herkende de mens in de kunstenaar.
Voor zijn zeventigste verjaardag maakten zijn vrienden hem een verrassing. Zonder zijn medeweten stelden zij een bundel samen: bijdragen in woord en beeld, van vrienden die hem kenden uit de Academie, uit Baambrugge, uit Arti, uit de Provence. Marianne Coops-de Buck, twaalf jaar bevriend, schreef de inleiding. Zijn moeder gaf drie korte herinneringen, waaronder de eerste woorden die hij sprak: “SJANNE MIJSE(L)F DOEN!” Mari Andriessen schreef over zijn portret. Jules Royaards over de eend. Bertus Sondaar over de speech bij het afscheid van concierge Heeren. Ton Meyer over gezamenlijk werken in de Provence bij Maurice Mourier. Jan van Tongeren over de samenwerking in het bestuur van Arti.
Er werden 200 genummerde exemplaren gemaakt. De bijdragen zijn handgeschreven. Er zijn tekeningen van Hans zelf: een vroeg zelfportret als ets, een schets van moeder met kind, een observerende lijntekening, en een tekening van Joep Stallmans als eigen bijdrage.
Het bundeltje heet Uit de Verf.
Hans Royaards overleed op 23 december 1975 in Utrecht. Hij werd begraven op 29 december op begraafplaats Westerveld te Velsen.
Een critiek uit 1963 noemde hem “Royaards, de bedeesde benadering van de dagelijkse dierbare mens.” Zijn vriendin Marianne formuleerde het anders: de charme die uit zijn werk spreekt, is de charme die de vriend Hans uitstraalt. “Zijn grootste verdienste is dat hij het subjectieve waargenomene voor ons objectief weergeeft.”
Wie zijn portretten kent, begrijpt wat zij bedoelde.