Familie Royaards
juni 2026

C.W. Royaards, de architect

In een gezin van toneelmakers bouwde de jongste zoon iets dat moest blijven staan. Een portret van Kees Royaards (1906–1970), restauratie-architect.

In een gezin van toneelmakers maakte de jongste zoon iets dat moest blijven staan. Zijn vader regisseerde voorstellingen die na de laatste voorstelling verdwenen. Zijn broers speelden rollen die ophielden te bestaan zodra het doek viel. Kees Royaards bouwde huizen, restaureerde kastelen, voegde gevels. Werk dat, als het goed werd gedaan, juist onopvallend bleef bestaan, decennia, soms eeuwen langer dan de man die het maakte.

Cornelis Willem Royaards werd geboren op 21 februari 1906 in Amsterdam, de jongste van de kinderen van toneelhervormer Willem Royaards en actrice Jacqueline Sandberg. Isaac Israëls, bevriend met het gezin, schilderde hem als kind: “De Jeugdige Prins”. In de jonge prins is de architect van later al herkenbaar. Aan haar vrienden schreef Jacqueline over haar jongste: een bijzonder jong mens, maar ook een lastpost, die haar helemaal in beslag nam als hij thuis was.

Portret van Kees Royaards als kind, getiteld De Jeugdige Prins, geschilderd door Isaac Israëls
"De Jeugdige Prins", portret van Kees Royaards als kind, door Isaac Israëls

Op school liep het niet. Het Amsterdams Lyceum maakte hij niet af. Pogingen om elders alsnog een diploma te behalen, liepen op niets uit. Zijn ouders vroegen raad aan Hendrik Petrus Berlage en Karel de Bazel, en beiden concludeerden hetzelfde: een studie aan de Technische Universiteit Delft zou niets voor deze jongen zijn. Beter was het hem rechtstreeks als leerling bij een architectenbureau te plaatsen.

Op zijn zestiende ging hij aan de slag bij architect P. Vorkink. Een jaar later kwam hij bij het grote bureau van de gebroeders Baanders, Herman en Jan, zonen van een Zutphense timmermansjongen die zich had opgewerkt tot architect. Hun kantoor aan de Herengracht was inmiddels uitgegroeid tot een kweekvijver van de Amsterdamse School. Op de zolder had schilderes Lizzy Ansingh haar atelier. Beneden tekenden jonge architecten hun eerste ontwerpen.

Foto van de jonge Kees Royaards
De jonge Kees Royaards

Negentien was hij toen hij zijn eerste eigen opdracht kreeg: een villa aan de Apollolaan, voor de Amsterdamse zakenman Carl Hülsmann, directeur van de Steenkolen Handels Vereeniging. Zijn compagnon was L.J.H. Zonneveldt, zelf nog maar achter in de twintig maar al ervaren. Voor het beeldhouwwerk, twee spelende putti boven de deur en vier kariatyden die de jaargetijden verbeelden, wilde Kees niemand minder dan Jan Bronner, hoogleraar aan de Rijksakademie.

Zijn moeder had hem ertoe aangezet om het te vragen. Bronner stuurde hem door naar een van zijn leerlingen, en toen Jacqueline hem bedankte voor zijn hartelijke ontvangst van haar zoon, zei hij: “Ik moet u bedanken dat u me zo’n aardige jongen hebt gestuurd.” Het werd het begin van een vriendschap die Kees’ hele verdere werk zou kleuren. Bronner woonde een deel van het jaar op een oude boerderij in de Chevreuse-vallei in Frankrijk, zonder elektriciteit, de muren gestapeld uit zorgvuldig gekozen steen. Het ambacht, zei hij, dat was de oorsprong van kunst.

Villa Apollolaan 178 te Amsterdam, ontworpen door Kees Royaards
Villa Apollolaan 178, Amsterdam

In de jaren die volgden bleef hij aan het werk in de kop van Noord-Holland: de duinboerderij “Vogelwater”, ook bekend als “Berwout”, in Egmond aan den Hoef in 1934, en twee jaar later de stolpboerderij “Westert” bij Egmond-Binnen, die hij in streekeigen bouwtrant optrok als vervanging van een verdwenen zeventiende-eeuwse boerderij die ooit iets verderop had gestaan. Het waren oefeningen in iets dat zijn levenswerk zou worden: het oude voortzetten zonder het te kopiëren.

Stolpboerderij Westert bij Egmond-Binnen, gebouwd in 1936 naar ontwerp van C.W. Royaards
Stolpboerderij "Westert" bij Egmond-Binnen, 1936

Die woorden van Bronner zou Kees letterlijk nemen. Na de plotselinge dood van zijn vader in 1929 kocht Jacqueline een stuk grond bij Schoorl en vroeg haar zoon er een buitenhuis voor haar te ontwerpen, in de buurt van een beekje dat in de duinen ontspringt. Hij gebruikte bakstenen van gesloopte huizen uit de Jordaan, met de hand in de nieuwe muren verwerkt, en metselde als stil protest tegen die sloop een loden doos onzichtbaar in een van de muren. Een gevelsteen kreeg de naam van het beekje: De Oorsprong.

Er was geen elektriciteit. Open haarden verwarmden het huis, een loden pomp in de keuken haalde water uit de beek zelf. De vloeren waren van leem. En toch, schreef Jacqueline later, voelde je je er behaaglijk: de bouw was te prachtig om het anders te ervaren. In de boomgaard stond een lange tafel met aan weerszijden even lange banken, genoeg voor zeven kinderen en een wisselend aantal grote mensen, omringd door honden, katten en geiten.

In 1936 trouwde Kees met Rensina ten Holt, tekenaar en illustrator, die later zijn eigen restauratietekeningen zou maken, ondertekend met zijn naam, al was het werk evenzeer het hare. Ook zij kwam wonen in De Oorsprong. Kees, de jongste van de broers, heerste er als heer over het huis dat hij zelf had gerestaureerd. Iedereen bewonderde het en bekneld zich tegelijk aan alle deuren waar je niet aan mocht komen.

Kees Royaards en Rensina ten Holt samen
Kees Royaards en Rensina ten Holt

De oorlog joeg het gezin uiteen. Kees moest Schoorl verlaten en kreeg via Monumentenzorg een opdracht in Wijk bij Duurstede, waar een telg van de Wijkse notarisfamilie Van Heyst hem een huis aanbood. Twee van de kinderen gingen met hem en Rensina mee. De twee jongsten vonden onderdak bij anderen. Vanaf hier voerde hij ook, te midden van oorlog en gebrek, een restauratie uit die hem voorgoed zou verbinden met de familie die zijn moeders oudste vriendin was: de gevel van het huis van Georgine Mirandolle aan de Herengracht. Jacqueline schreef er in december 1944 over: “de gevel van ‘t huis van Mej. Mirandolle op de Heerengracht, door Kees gerestaureerd.” Het pand geldt nog altijd als een van de fraaiste grachtenpanden van Amsterdam.

Zie ook het verhaal over Juffrouw Mirandolle, de vriendin voor het leven van Jacqueline Royaards-Sandberg.


Na de oorlog groeide Kees uit tot een van de meest gezaghebbende restauratie-architecten van Nederland. Het stadhuis van Haarlem volgde in 1955, het Polderhuis in de Wieringerwaard kort daarvoor, in 1951 en 1952, waarbij hij zelf met meetlint en notitieboekje langs de gevel ging. Van 1963 tot 1965 was hij, tijdelijk, stadsconservator van Edam. Volgens Bond Heemschut was hij de eerste die Nederland in die functie kende. Hij legde de taak na verloop van tijd neer, niet omdat men hem de plaats of de titel afnam, maar omdat de middelen ontbraken om de maatregelen te treffen die hij nodig achtte.

Tussen 1955 en 1961 restaureerde hij de Ruïnekerk in Bergen, waar hij een houten portaal in achttiende-eeuwse Zaanse stijl toevoegde en waar, bij het verwijderen van de vloer, restanten van een oude mozaïekvloer aan het licht kwamen die hij liet reconstrueren. In Middenbeemster restaureerde hij in diezelfde jaren niet alleen de kerk, van 1950 tot 1959, maar ook de pastorie ernaast en het voormalig woonhuis van schrijfster Betje Wolff. In die kerk kreeg zijn oudere broer Hans de opdracht voor de gebrandschilderde ramen. Hans had het brandschilderen nooit eerder beoefend. Het scheppingsverhaal dat hij in lichtgestemde kleuren maakte, spreekt volgens zijn vrienden van plezier in het werk en welbehagen in het leven.

Aquarel van Hans Royaards aan het werk in de kerk van Middenbeemster
Hans Royaards aan het werk in de kerk van Middenbeemster
Ontwerptekening achtergevel pastorie Midden Beemster, februari 1953, gesigneerd C.W. Royaards
Ontwerptekening achtergevel pastorie Midden Beemster, februari 1953 — C.W. Royaards arch.

Zijn lijst van werk is lang: woonhuizen en kerken, stadhuizen en poorten, het Polderhuis in de Wieringerwaard, de Waagtoren te Alkmaar, het Johan de Witthuis in Den Haag, de Hamtoren te Vleuten, de ronde toren van het Slot te Wijk bij Duurstede. Hij was, schreven zijn collega’s na zijn dood, geen sloper. In 1947 schreef hij voor Heemschut over de ruilverkaveling op Terschelling, en wat hij daar zei, gold voor zijn hele werk: een gemeenschap moet beseffen dat behoud overal zinvol is, waar nog een levend verband bestaat tussen mens en ding, in harmonie met de natuur.


Zijn laatste jaren werden beheerst door twee grote, onvoltooide opgaven tegelijk. In 1957 nam hij de restauratie van kasteel Wijenburg in Echteld ter hand, en in datzelfde jaar werd hij ook gevraagd voor Paleis Het Loo. Beide zouden hem overleven. De Wijenburg, vertraagd door geldproblemen en het ontbreken van een bestemming, zou pas in 1977 voltooid worden. Kees had het interieur zelf willen inrichten. Het zou er niet meer van komen.

Bij Het Loo gold iets vergelijkbaars. Al in het najaar van 1960 had hij een plan tot herstel van het bijbehorende jachtslot, het Oude Loo, getekend, jaren voordat de uitvoering vanaf 1968 werkelijk begon.

Ontwerptekening Plan tot herstel van het Jachtslot het Oude Loo, najaar 1960, gesigneerd C.W. Royaards arch.
"Plan tot herstel van het Jachtslot 'het Oude Loo'", najaar 1960 — C.W. Royaards arch.

Op 16 januari 1970 keerde hij terug van het restauratiewerk aan Het Loo, ging nog even bij de kerk in Weesp kijken, bezocht een vriend, en reed door naar Amsterdam om zijn moeder te bezoeken. Jacqueline lag daar zelf in het ziekenhuis, herstellend van een heupoperatie. Hun laatste gesprek ging over de gladheid. “Blijf je vannacht niet in Amsterdam, Kees!” had ze gezegd. “Nee,” antwoordde hij, “het is niet glad, dan heb ik morgen in Schoorl een hele dag vóór me!” Onderweg, in de Beemster, waar de vorstgrens een verraderlijk stuk gladde weg had achtergelaten, verongelukte hij. Jacqueline mocht het pas later weten. Men had het haar niet durven vertellen voordat ze zelf, de volgende dag, geopereerd zou worden.


De Wijenburg werd na zijn dood voltooid, grotendeels volgens zijn eigen plannen. Het Oude Loo volgde dezelfde weg. Wat bleef, stond er al: de villa aan de Apollolaan, het huis bij Schoorl, de gevel aan de Herengracht, de Ruïnekerk in Bergen, de torens en poorten door heel Noord-Holland en Utrecht. “Het werk looft de meester,” schreven zijn collega’s bij Heemschut na zijn dood. Wie voor de poort van de Wijenburg staat, ziet wat zij bedoelden.


Bronnen: Heemschut, Orgaan van de Bond Heemschut, jaargang 47, april 1970. Jacqueline Royaards-Sandberg, Herinneringen en Ik heb je zoveel te vertellen. Vrienden van de Wijenburg, vriendenvandewijenburg.nl. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, monumentenregister. Wikipedia, Kees Royaards en Ruïnekerk (Bergen).