Een leerling van Royaards: Sara Heyblom (1892–1990)
De actrice Sara Heyblom begon haar loopbaan bij het gezelschap van Willem Royaards. In haar herinneringen uit 1978 schrijft zij over hem als leermeester en regisseur, en over hun verhouding.
Sara Heyblom werd op 27 mei 1892 in Amsterdam geboren en overleed daar op 20 juli 1990. Zij speelde tot op hoge leeftijd toneel en was ook te zien in films en op de televisie. Haar loopbaan begon in 1911 bij Het Tooneel, het gezelschap van Willem Royaards.
In 1978 verscheen haar boekje Spelend door het leven, geschreven toen zij vijfentachtig was. Zij waarschuwt de lezer zelf dat het geen echte memoires zijn, want “alles staat hot en tot door elkaar”. Jaartallen ontbreken bijna overal, en tussen de gebeurtenissen en het opschrijven ligt ruim zestig jaar. Het boekje is wel een van de weinige plaatsen waar iemand uit Royaards’ gezelschap vertelt hoe het daar toeging. Hieronder volgen haar herinneringen; waar andere bronnen ze bevestigen of tegenspreken, is dat vermeld.
De weg naar Royaards
Na de dood van haar vader bleef het gezin zonder geld achter. Haar moeder, dochter uit een predikantengezin, werd gezelschapsdame en begon later een tehuis voor meisjes die in Amsterdam kwamen studeren. Toen Sara haar toevertrouwde dat zij naar het toneel wilde, schreef haar moeder eerst aan haar broer, zelf predikant. Het antwoord kwam onmiddellijk: “Dit is een milieu waarin wij onze dierbaren niet gaarne zien vertoeven.”
Daarop “stapte moeder resoluut naar Royaards”. Zijn antwoord was volgens Heyblom kort en bondig: “Nooit naar de toneelschool, dan moet ik haar alles afleren wat ze daar geleerd heeft.” Hij zou zijn vrouw vragen haar les te geven. Na een jaar kon zij dan bij het gezelschap komen, en zou hij zien hoe groot haar liefde voor het werk was.
Het Digitaal Vrouwenlexicon vermeldt dat Royaards bevriend was met haar grootvader. In haar eigen boek komt dat niet voor; daar is het haar moeder die het initiatief neemt.
De aanleiding was een voorstelling van Adam in Ballingschap. Sara had “een intense bewondering voor mevrouw Royaards als Eva” en probeerde thuis haar zangerige cadans na te doen. Een jaar lang kreeg zij les van Jacqueline Royaards-Sandberg: “Het was mevrouw Royaards die mij inwijdde in de werken van Vondel en Hooft.” Omdat zij de r niet goed uitsprak, oefende zij eindeloos op “Grote grut, hoe gromde Grietje als een grimmig grenadier”.
Bij de eerste ontmoeting zei Royaards: “Zo, kindje, zo mooi als je moeder ben je lang niet.” Zij moest erom lachen, al schrijft zij ook: “Ik geloof dat ik een grote teleurstelling voor Royaards was.”
In het gezelschap
Haar eerste repetitie was als figurante in Trilby, met Royaards als Svengali. Haar tweede rol was een arm meisje van lichte zeden. Zij kocht er in de Bijenkorf het goedkoopste jurkje voor dat er was, voor f 2,50. Op de generale repetitie klonk vanuit de zaal: “Wat is dat Saartje, dat lijkt maar niets, je ziet er veel te gedistingeerd uit.” Haar tegenwerping dat het jurkje maar een rijksdaalder had gekost, hielp niet: “Kan me niets schelen, hij staat je veel te mooi.”
In de TheaterEncyclopedie staat zij op 8 december 1911 in de rolverdeling van De violiers, als Juffrouw Kitty. Royaards regisseerde en speelde de hoofdrol.
Na jaren van figuratie mocht zij de rei van de Amsterdamsche Maegden zeggen in de Gijsbreght van Aemstel. Royaards koos zijn reizegsters zorgvuldig en luisterde vaak vanuit de zaal. Eens zei hij voor de voorstelling: “Gisteren was het niet goed, als je vanavond de rei niet mooi zegt, ontsla ik je.” Dat ontslag kwam er nooit. Toen zij op het toneel in lachen uitbarstte omdat Albert van Dalsum haar iets toefluisterde, werd zij de volgende ochtend op het kantoor ontboden. “Hij zei altijd Saartje tegen me, maar die morgen zei hij: ,Juffrouw, U mag niet meer meedoen met de vluchtelingen.’” Zij schaamde zich en gaf hem achteraf gelijk.
In De vijf Frankforters speelde zij eerst een klein rolletje. Toen Marie Holtrop, die de hoofdrol had, roodvonk kreeg, koos Royaards haar om de rol over te nemen. Zij leerde de tekst in twee dagen en nachten. Dit deel van haar verhaal wordt bevestigd door de rolverdeling van de première op 22 september 1912. Daarin staat Heyblom in de rolverdeling als Liesje en Marie Holtrop als Charlotte. De kritieken waren juichend, “het was mijn eerste echte succes”. Daarna volgde Armande in Molières Geleerde Vrouwen.
Royaards als regisseur
Heyblom beschrijft Royaards zoals de jonge spelers hem zagen: “Royaards, Dr. Willem Royaards, de Paus, de Koning, de Aristocraat.” Als hij ‘s ochtends door de gang naar het repetitielokaal liep, “klopte menig hart sneller”. Of hij die dag zou donderen of rustig zou leiden, wist niemand vooraf.
Aan de aanspreekvorm hoorde je wat hij van je spel vond. Wie slecht speelde, kreeg er een “van” bij: “Nee, juffrouw van Heyblom, het is lelijk wat u doet, heel lelijk!” Was hij tevreden, dan was het ineens: “Lieve Saartje, heel goed kindje, heel goed!”
Op een avond was de inspiciënt vergeten de spiegel op te hangen waarvoor Royaards zijn das moest strikken. Royaards liep naar de kale muur, strikte zijn das en speelde verder. Het publiek merkte niets. Na afloop klopte hij de inspiciënt op de schouder: “Zo beste jongen, dat was goed publiek vanavond.”
Op een druilerige ochtend, bij een generale repetitie in de open lucht van Adam in Ballingschap, riep hij als Lucifer tegen de inspiciënt: “Beste jongen, als de engelen opkomen wil ik zon hebben, veel zon.” De inspiciënt antwoordde: “Ja, mijnheer Royaards, als de engelen opkomen: zon, veel zon. Komt in orde.” De zon kwam niet.
Over het geheel schrijft zij: “Zijn grote liefde en toewijding voor het toneel gaf hij als een kostbaar geschenk aan allen die bij hem werkten. Een gave voor het leven!” Later, toen zij bij Eduard Verkade speelde, vergeleek zij beide leermeesters: “Zoals Royaards de man was van het grootse, joyeuze, soms zelfs exorbitante, zo zocht Verkade het in versobering distinctie en eenvoud."
"Royaards, mijn eerste liefde”
In een kort hoofdstuk met deze titel schrijft Heyblom openlijk dat zij een verhouding met Royaards had. Hij was toen getrouwd met Jacqueline, de vrouw die haar had lesgegeven en die zij zo bewonderde. Data noemt zij niet. Elders in het boek schrijft zij dat de verhouding vier jaar duurde.
Zij noemt het “een van de schoonste ervaringen van mijn leven” en vraagt zich af: “Was het zondig? Wás het slecht?” Ook schrijft zij: “Eerst dacht ik dat ik zijn enige grote liefde was. Later wist ik hoevelen er voor en na mij waren.” Over zijn reputatie als vrouwenveroveraar is zij openhartig. Haar slotsom luidt: “Hij was en bleef de grand seigneur, de aristocraat.”
Zij vertelt ook een voorval dat zij uitdrukkelijk “historisch” noemt. Tijdens een generale repetitie zat Royaards in de donkere zaal, toen een actrice naast hem kwam zitten. Hij strekte zijn hand naar haar uit, waarop zij zei: “Laat maar Willem, ik ben het maar, Lien!” Lien was de koosnaam van zijn vrouw. Of Heyblom er zelf bij was, schrijft zij niet.
Het enige stuk uit deze jaren van Royaards’ eigen hand staat in haar boek afgedrukt: een foto van hem als Fedja in Tolstojs Het levende lijk. Onder de foto schreef hij: “Voor mijn lieve Saartje van Willem Royaards, Mei 1913.”
Hoe de verhouding eindigde en wie er een punt achter zette, vertelt zij niet. Het Digitaal Vrouwenlexicon schrijft dat Royaards de relatie verbrak; in haar boek staat dat niet. Wel beschrijft zij wat volgde: “Jaren na mijn verhouding met Royaards, die vier jaar duurde, heb ik zoals men dat noemt als een non geleefd. Ik vond elke man banaal, oninteressant en ver beneden het niveau waarop ik had bemind.” Dat veranderde pas met Albert van Dalsum, die zij had leren kennen toen zij allebei “eerstejaars” bij Royaards waren. Met hem had zij een verhouding van twaalf jaar.
Het portret
In 1937, ruim twintig jaar na haar jaren bij Royaards, schilderde Rie de Balbian Verster-Bolderheij (1890–1990) een portret van Sara Heyblom: een borstbeeld met een zwarte hoed met veer en een lichtblauwe sjaal, rechtsonder gesigneerd en gedateerd. Het doek bleef in de familie van Heyblom, die haar “tante Saar” noemde, en kwam onlangs in het bezit van de familie Royaards. In de oeuvrelijst van de schilderes staat het als nummer 497.
Volgens de familie De Balbian Verster schilderde zij Heyblom ook voor de portrettengalerij van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Of dat hetzelfde werk is of een tweede versie, is nog niet bekend.
Bronnen
- Sara Heyblom, Spelend door het leven (Nieuwkoop: Uitgeverij Heuff, 1978).
- Thomas Dresscher, “Heyblom, Sara (1892-1990)”, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (Huygens ING).
- TheaterEncyclopedie: rolverdelingen van De violiers (1911) en De vijf frankforters (1912).
- De Heihut, schilderijen van Rie de Balbian Verster-Bolderheij, nr. 497.
Zie ook: Willem Cornelis Roijaards (1867–1929).